Op een donkere regenachtige doordeweekse dag, ik was net thuis, werd ik gebeld.
Een verpleegkundige verzocht mij een patiënt te beoordelen in de verste uithoek van het gebied. Het klonk niet alsof het niet tot morgen kon wachten, maar ze stond erop. Dus ik ging, met voor mij vrij ongebruikelijke tegenzin op weg, de slagregens en natte sneeuwbuien trotserend.

De verpleegkundige haalde mij op bij de deur en verontschuldigde zich dat ze me had laten komen. Het leek volgens haar toch wel mee te vallen. Maar twee maanden daarvoor had ze ook tijdens een dienst overwogen een arts te bellen maar dit niet gedaan. De volgende ochtend had de man dood in bed gelegen. Ik stelde haar gerust en liep mee naar een lijzige man met grote oren die er jonger uitzag dan zijn geboortejaar deed vermoeden. Ik luisterde zijn longen op zoek naar aanwijzingen voor mogelijke decompensatie.

Terwijl ik langzaam mijn stethoscoop uit mijn oren haalde dacht ik na en keek de kamer rond. Mijn oog viel op een vergeelde zwart-wit foto met twee mannen op een toneel, geschat gedateerd jaren vijftig. “Bent u dat op die foto, op een toneel”, vroeg ik hem. “Links”, antwoordde hij en hij glom van oor tot oor. “Ik heb wel vijftig jaar toneel gespeeld en zelfs een jaar professioneel”, vertelde hij trots en even leek hij genezen van zijn dementie. Hij verzonk in gemijmer over lang vervlogen tijden en ik liet hem achter met de woorden “tot ziens grote toneelspeler”. Waarop hij opkeek en zijn lange arm met grote hand enthousiast naar mij ophief. De weg terug ging een stuk sneller.

Een paar dagen later mocht ik ‘s morgens op pad. De flauwe winterzon scheerde over een dennenbosje in het verder overwegend met eiken begroeide Twentse landschap. In een hoek van het grasland grenzend aan de dennen maakten zich twee donkere vlekken vrij. Langzaam openbaarden zich twee Belgische trekpaarden. In volle galop kwamen ze op mij af. Damp uit de neusgaten, schuddend met de manen. Ik kon de grond bijna voelen trillen. Wanneer ze bijna bij de weg zijn waar ik op dat moment rijdt, gooien ze beiden het hoofd omhoog en opzij en ze verdwijnen in de richting waar ze vandaan kwamen. Het is alsof ze mij en het leven uitdagen.

Zo heeft elke dienst zijn mooie momenten soms zo voor op het oprapen en soms moet je er naar zoeken. Het blijft elke keer weer een uitdaging, de geneeskunst.

 

Diederik van Herwijnen – huisarts medTzorg

 

 

Lees of download alle verhalen:

Boekje Meegemaakt voorjaar 2019