Meegemaakt – ‘Het laatste wat ik wil, is tegen iemands wil medicatie toedienen.’
Lees meer
Rolf van de Kerkhof was er vroeg bij met zijn dokterswens. “Al op 4-jarige leeftijd wist ik het. Mijn broertje was vaak ziek. Ik wilde niet alleen hem, maar ook andere mensen beter maken. Dat doe ik nu.” Rolf had dus al vroeg in het vizier dat hij mensen beter wilde maken. Maar dat zijn hockeykleding hem zou helpen bij het hechten van een patiënt, had de arts in spe waarschijnlijk niet kunnen denken.
“Een van mijn collega’s zat in de knel met zijn dienst. De collegialiteit in Brabant is groot, dus stelde ik voor om een deel van zijn shift over te nemen. ‘Van 17:00 uur tot maximaal 20:00 uur’, zei ik nog, ‘want om 20:30 uur sta ik op het hockeyveld.’ Twee andere collega’s namen mij over, en zo hielpen we elkaar uit de brand.”
Een rustige dienst werd om 19:58 uur echter verstoord door een visiteaanvraag. ‘Ik stond al klaar in mijn hockeykleding, maar de andere arts zat op een uur rijden, ik op de helft.’ Vertwijfeld belde Rolf de verpleegkundige op locatie over de automutilatie. ‘Ik kan komen hechten, maar ik sta wel in mijn sportkleding. Toen de verpleegkundige aangaf dat het geen probleem was, stapte ik in mijn auto naar de woongroep voor mensen met een verstandelijke beperking. De verpleegkundige schoot wel in de lach: ‘Bent u echt de huisarts?’ Zonder visitetas in mijn hand overtuigde ik haar van mijn functie. Als de verpleegkundige zo reageert, wat kan ik dan verwachten van de patiënt? Niet alleen mijn hockeykleding waren een potentieel probleem, want deze vrouw moest vaak door drie personen tegelijk worden benaderd. En ze wilde geen mannelijke hulpverleners.
De patiënt deed de deur op een kier, maar wilde me niet binnenlaten. Ook zij twijfelde lachend aan mijn beroep: ‘Bent u echt de dokter?’ Ik dacht: ik ben hier niet voor niks naar toe gereden en het moet hoe dan ook gehecht worden. Ik maakte nog een paar grapjes over mijn sportkleding. Door het kiertje zag ik haar konijnenpantoffels en een kamer met een roze of paarse inrichting. ‘Is je kamer roze of paars?’ vroeg ik, en ze raakte geïrriteerd. ‘Het is roze, dat zie je toch?’ Ik wijdde mijn verkeerde inschatting aan de deur die nog dicht zat. Ze deed de deur verder open: ‘Kijk dan!’. Ik complimenteerde haar konijnenpantoffels, we praatten verder over of haar kamer misschien lila was (antwoord: nee). Ze ontdooide, want ze had verstand van kleur. Ze liet me alle spullen zien die ze had.
Dat vind ik het mooie van werken bij medTzorg. Bij elke cliënt moet ik een ander instrument uit mijn toverbox halen om iemand te kunnen helpen.
Terwijl we samen op de bank zaten, bekeek ik haar wond. De verpleegkundige werd weggeroepen, dus heb ik haar in m’n eentje gehecht. Tijdens haar rondleiding vertelde ze dat ze van knutselen houdt, dus heb ik haar zelf de hechtingen laten knippen. Dat vond ze wel interessant. Ik ben anderhalf uur bezig geweest en ik heb geen hockeyveld meer gezien. Sindsdien zegt ze elke keer als we elkaar zien: ‘Hallo, hockeydokter!’.”
Lees meer
Lees meer
Lees meer